Door Piet Hein Kramer

Foto's: Peter Nieuwenhuizen

 

Verzamelaars worden gekoesterd door Büchianen. Daarom is het niet zo gek dat het bestuur de jaarvergadering van Büchmania combineert met een bezoek Art.588 Brachesaan musea waarin verzamelingen worden teruggevonden. Teylers, Meermanno-Westreenianum en nu Van Gijn.

We hadden gehoopt dat de Büch-verzameling ook zo bewaard en getoond had kunnen worden. Ooit had Boudewijn zijn boekenverzameling al toegezegd aan de Universiteit van Amsterdam. Dat was toen Braches nog directeur van de bibliotheek was. Dan was zijn boekenbezit als eenheid blijven bestaan. Daarbij kwam later de mooie setting waarin zijn verzameling bijeengebracht was, zijn huis aan de Keizersgracht. Alleen ontbrak hiervoor de benodigde financiële basis.
Daarin verschilde zijn verzameling van de ons nu bekende museale verzamelingen. Grondleggers waren vermogende ondernemers, handelaren en edellieden.

Er speelde natuurlijk nog iets een rol. De diversiteit van Boudewijns verzameling. Deelverzamelingen waren wél interessant. Verbindingen ertussen zijn mooi beschreven door Frank Bergevoet in het door Büchmania uitgegeven boekje 'De Dimensies'. Hans van Velzen heeft voor de OBA één zo'n deelverzameling bijna volledig weten te verwerven: Boudewijns boeken over bibliotheken.
Juist deze dagen, bij het overlijden van Johannes van Dam, is weer eens gewezen op de enorme verzameling kookboeken en boeken op aanverwant gebied die Van Art.588 UvADam met twee vrienden had bijeengebracht. Meer dan 60.000 boeken. Jaren geleden al in een stichting ondergebracht en overgedragen aan de afdeling bijzondere collecties van de UvA. Ik herinner mij dat ik, jaren geleden, bij een kookboekenantiquaar op de Dam stond naast Johannes van Dam. Ik wist van zijn enorme verzameling en het verraste mij dan ook danig dat Johannes hier toch nog een boekje vond dat hij niet had of niet kende of waarvan hij vergeten was dat hij het al had. Van Dam als een kind zo blij.

 

Gelukkig is er tegenwoordig meer belangstelling voor het behoud van bijzondere collecties. Zij het niet van de kant van de overheid. Die wil immers het grootste deel van de collecties van het Tropeninstituut door de papierversnipperaar halen. Delen gaan naar de Universiteit van Leiden, Stichting Centrum Medisch Erfgoed en Het Vredespaleis. Een groep van Amerikaanse Universiteitsbibliotheken heeft in ieder geval wel belangstelling getoond, met name voor de Zuidoost Azië-verzameling. Ik denk nog wel eens aan die Limburgse mijningenieur met een verzameling als Van Dam, maar dan op het gebied van de exacte wetenschappen. Elseviers Weekblad sprak over zestig verhuiswagens. Dat heeft mij altijd weer wat veel geleken. Geen universiteit in Nederland had belangstelling. Delft niet, Amsterdam niet en ook Leiden niet. De boeken zijn, voor zover ik weet, naar de Universiteit van Minnesota of Michigan gegaan. Amerikanen hadden (en hebben, zoals we zien bij het Tropeninstituut) daar meer oog voor. Ook beschikken zij in het algemeen over meer fondsen. Donaties van oud-alumni.

 

Dordrecht. Zeg je Dordrecht, dan zeg je Buddingh'. Zoals Jean Pierre Rawie verbonden is met Groningen, Willem Wilmink met Enschede, Koos van Zomeren met deArt.588 Dordrecht Betuwe, Hans Warren met Zeeland, zo is Buddingh' met Dordrecht verbonden. Buddingh', ooit door Boudewijn neergesabeld en weggezet als onbelangrijk dichter. Dat was nog in de tijd van zijn boekenprogramma op de TV. Buddingh' heeft zich dat toen zeer aangetrokken. Hij heeft daar echt, zowel fysiek als mentaal, onder geleden. Pas veel later, toen Boudewijn Buddingh' ontmoette, heeft hij z'n excuses gemaakt. Daarover heeft hij geschreven. Buddingh', zo schreef Boudewijn, was gewoon een erg aardige man. Hij was iemand met bescheiden ambities. Speelde geen Victor van Vriesland of Ed. Hoornik. Was geen literaire goeroe. Hij was wél een lezer.
Maarten 't Hart zei daarover: 'Letterkundigen, is mijn ervaring, hebben een hartgrondige hekel aan lezen. Wil je iemand tegenkomen die echt belezen is, iemand als Cees Buddingh' bijvoorbeeld, dan moet je niet in jury's gaan zitten, je niet met schrijvers of zelfs critici inlaten, en al helemaal niet met academici. Zelfs zo'n groot man als Karel van het Reve had verrassend weinig gelezen - wat overigens geen beletsel voor hem bleek te zijn om uitgesproken meningen te hebben over boeken die hij nooit had ingekeken.'

 

Buddingh' was een deel van het culturele leven in Dordrecht en in den lande bekend van de Blauwbilgorgel, van zijn poëzie-lexixon en verder wisten we dat hij vertaalde uit het Engels. Je moet toch ergens van leven.

 

Büch en Buddingh'. In de bibliotheek staan ze meestal naast elkaar. Buc en Bud. In de bundel 'Wat blijft' - De mooiste gedichten van de eeuw, samengesteld door Menno Wigman, staat wél een gedicht van Boudewijn, Raphus Cucullatus, een gedicht dat het verdient tot ver in deze eeuw gelezen te worden, aldus Wigman, maar ontbreekt Buddingh'.
Buddingh' heeft dan wel weer een pleintje in Dordt naar zich vernoemd gekregen. Büch een leeszaal in Wassenaar. Alleen is tegenwoordig het bestaansrecht van een bibliotheek uiterst onzeker. Een brug naar hem vernoemd, was wellicht een betere keus geweest. Boudewijn Büch verbond immers in zijn persoon hogere en lagere cultuur, een uitgesproken bruggenbouwer dus. Tot zover Büch en Buddingh'.

 

Ja, een stad is
een boek, waarin
men eindeloos
bladeren kan,
waaraan dagelijks
nieuwe pagina's
worden toegevoegd
en elders inkt
vergeelt, het papier
verstuift op de
zwarte wind
van de tijd.

C. Buddingh'

 

Art.588 GroteKerk1Na een korte wandeling werd, vanaf het station, Dordt steeds mooier. Met het aangebroken zonnetje ontvouwde de stad zich op een sprankelende wijze. En wat is een mooiere plaats om samen te komen en de dag te beginnen dan de Grote Kerk. 'Het is immers heilige grond, meneer!' (naar Van Amerongen). Natuurlijk, Boudewijn gaf hier zijn lezing ter gelegenheid van de heropening van het Huis Van Gijn. Het Huis zelf kon alle belangstellenden niet herbergen.

 

Na een hartelijke ontvangst met koffie, stonden de heren Herman Smits en Adrie de Heer voor ons klaar om het een en ander over deArt.588 GroteKerk2 geschiedenis van de kerk te vertellen. Dordrecht met zijn Eerste Vrije Statenvergadering in 1572, overigens gehouden in Het Hof, markeert het begin van een zelfstandige Nederlandse Staat. De Eerste Dordtse Synode van 1578 vond hier plaats en ook de veel bekendere Tweede Synode, die van November 1618 tot en met Mei 1619 duurde. De meeste vergaderingen waren niet in de kerk, omdat het daar veel te koud was.
Bijzonder in de kerk zijn de (zeer katholieke) koorbanken, die dateren van begin 1500. De beeldenstorm van 1566 is aan de Grote Kerk voorbijgegaan. De beelden zijn er niet meer. Ze werden echter niet stukgeslagen, maar verkocht. Voor de kerkbanken bleek vervoer een belemmering. En waar zouden ze naar toe hebben gemoeten?

 

De kerk is gebouwd op klei- en veengrond, en heeft geen onderkeldering. De familiewapens op de graven moesten het in de Franse tijd ontgelden op één graf na, waarvan de steenhouwers op tijd de grafsteen omgekeerd hadden teruggezet.
Voor de liefhebbers noem ik de vaste organist van de Grote Kerk, Cor Ardesch, van wie in de kerkwinkel vele CD's te krijgen zijn. Bijzonder is nog wel dat we bij de kerk onze eigen scheve toren hebben. Het zou niet zijn opgemerkt als het niet was verteld. Het schietlood in de toren geeftf toch een aardige afwijking aan. Rest mij nog te zeggen dat naast in meerdere vormen afgebeelde Geloof, Hoop en Liefde ruimte was voor de Deugd.

Art.588 orgel

 Art.588 schipArt.588 kansel

 

Vervolgens begaf het gezelschap zich op weg naar 'Den Witten Haen' op de Groenmarkt. Hier vindt men vier naast elkaar gelegen Rijksmonumenten , waarvan het oudste deel uit 1720 stamt. Ooit was er een brouwerij gevestigd met die naam. Het vierde aangrenzende huis was het eerste woonhuis van meestersmid Jacob Lips (in sloten en brandkasten). De huidige huurder is de Philadelphia Zorg Stichting, waaronder ook een lunchroom valt. Het personeel bestaat uit mensen met een of andere beperking. Daarvan zou je weinig hebben gemerkt, ware het niet dat de bedrijfsleiding wat beperkt bleek in onderlinge communicatie.

 

De lunch was echter voortreffelijk. De ruimte die Arjan Honkoop voor het gezelschap had geregeld in Den Witten Haen diende niet alleen voor de lunch, maar ook voor de jaarvergadering én voor een korte lezing te geven door de conservator van Het Huis Simon van Gijn, de heer Chris de Bruyn. Hij zou voor ons uit de doeken doen op welke wijze Boudewijn Büch met het Dordts museum in aanraking was gekomen.

 

Büch in Dordrecht: het schilderij van Van der Velden als schakelwerk

(Een lezing door Chris de Bruyn)

 

Art.588 deBruynOp een van zijn vele reizen naar Nieuw-Zeeland kwam Boudewijn in het museum van Auckland of van Wellington schilderijen tegen van een Nederlandse schilder met de naam Petrus van der Velden. Een negentiende-eeuwse schilder, die zich vooral toelegde op landschappen en die daarnaast ook schilderlessen gaf. Boudewijn kende de schilder niet en ging, terug in Nederland, op zoek naar meer werk van hem. Onderzoek leerde dat Van der Velden (5 Mei 1837 - 11 November 1913) pas op latere leeftijd naar de Kunstacademie was gegaan. Zijn werk past binnen de school van Josef Israëls. Hij schilderde vooral in vissersdorpen rond de Zuyderzee. Chris de Bruyn noemt één schilderij in het bijzonder, omdat Van der Velden dat doek kennelijk had meegenomen naar Nieuw-Zeeland, waar hij in 1890 een tweede schildersleven begon. Het is een begrafenis op Marken. Maar werken van voor 1890 zijn, in ieder geval in Nederland, in een openbare collectie niet te vinden. Op één na dan, en dat is een portret van een leraar Engels uit Dordrecht, Anton Cornelis Loffelt. Dit schilderij is eigendom van het Dordrechts Museum. LoffeIt vestigde zich in 1875 in Den Haag als kunstcriticus voor Het Vaderland. Hij schreef toneelkritieken, maar bewoog zich ook op het terrein van de beeldende kunst. Hij was destijds een bekende figuur. Misschien een verklaring voor dat portret. Loffelt was bevriend met de vijf jaar oudere Simon van Gijn. Van Gijn ontving graag historici, kunstkenners, kunstliefhebbers en andere belangstellenden voor zijn prenten. Die vriendschap is wellicht daaruit voortgevloeid. In 1905 sprak Van Gijn nog de grafrede uit bij de dood van Loffelt.

 

Nu Boudewijn dit schilderij van Van der Velden in Dordrecht had getraceerd, bracht deze ontdekking hem hier in het museum. En via het onderwerp, het portret van Loffelt, kwam Boudewijn uiteindelijk bij Simon van Gijn terecht. En niet alleen dat Boudewijn in hem een verwante geest ontmoette, hij trof ook een onuitputtelijke collectie prenten aan, de Atlas Van Gijn, én een bijzondere boekenverzameling en dat alles in een waarlijk museale woonomgeving.

 

Van Gijn, zakenman, bankier, jurist en verzamelaar, leefde van 1836 - 1922. Het huis dat hij naliet aan de Vereniging Oud-Dordrecht, met het merendeel van zijn verzamelingen, zal het gezelschap later in de middag bezoeken.
Chris de Bruyn vervolgt zijn causerie nu met het tonen van enkele prenten uit de Atlas Van Gijn. En dan gaat het bij de Atlas om een verzameling van zo'n 28.000 prenten, die Van Gijn vanaf zijn zestiende al begon te verzamelen. De verzameling bevat, inderdaad, ook atlassen, maar het gaat vooral om tekeningen en pamfletten. Illustraties, daar ging de belangstelling van Boudewijn Büch naar uit. Illustraties van vreemde dieren, van strandingen, bijvoorbeeld een gestrande potvis, een stranding bij Berkheyde in 1602. Een tekening van een zeerob in de Merwede. Illustraties van uitvindingen, de zeilwagen van Simon Stevin, Maurits op het strand van Petten, ook al in 1602. Een halve onderzeeër. Het gaat bij de prenten ook om het onbekende, het nieuwe, het afwijkende. Brochures over abnormaliteiten, twee meter lange mensen en zo verder.

 

Tot zover de prenten. Nu de boeken. Ook in de bibliotheek van Van Gijn had Boudewijn zijn favoriet. De serie van zeven boeken die de oud-predikant Francois Valentijn tussen 1724 en 1726 het licht deed zien onder de naam Oud en Nieuw Oost-Indiën. Hij beschrijft eigenlijk van alles. Of het nu gaat over de natuur (bomen, heesters, vruchten, vissen, landdieren) of de cultuur (mensen met hun gebruiken, rituelen, kleren, hoofdtooien, sieraden of bouwwerken. De beschrijvingen zijn vooral gewijd aan Borneo, Celebes, de Molukken tot aan Nieuw-Guinea toe. Het geheel omvat 5144 pagina's en 1050 afbeeldingen. De boeken zijn uitgegeven in een uitzonderlijk korte tijd. Daarvoor werden twee boekdrukkers aangezocht, een in Dordrecht en een in Amsterdam. Valentijn overleed in 1727 en het is niet duidelijk of hij ook het laatste deel nog in druk heeft gezien.

 

Chris de Bruyn vertelde bezig te zijn met het digitaliseren van het platenbestand. Van deel Eén is dat intussen gebeurd. Veel tijd is echter gemoeid met het terugvinden van de bijpassende tekst. De waarde, de relevantie ook, komt pas tot uitdrukking in het samengaan van plaat en tekst. Later op de dag, bij ons bezoek aan het Huis Van Gijn, verrast Chris de Bruyn ons door alle zeven delen van Oud en Nieuw Oost-Indiën voor ons klaar te leggen.

 

De belangstelling van Boudewijn voor de zevendelige Valentijn steekt schril af bij zijn, al dan niet bewuste desinteresse in Nederlands-Indië. Dit fenomeen is zojuist aardig genoemd en beschreven door Luc Sour in het laatste Büchmania Magazine (nr. 10 van September 2013).
Wel, het waren deze contacten met het Dordrechts Museum en het Huis Simon van Gijn die de directeur van beide musea, de heer Schoon, ertoe bracht om Boudewijn Büch te vragen om eind 2001, na een verbouwing en renovatie van drie jaar, een openingsrede te houden. De vraag wordt gesteld of er nog beelden zijn van die lezing. Is de toespraak opgenomen door de plaatselijke radio? De heer De Bruyn weet het niet. Er zijn wel foto's van die opening. Hij zal alsnog op zoek gaan en zal zijn bevindingen laten weten aan Büchmania.

 

Naar aanleiding van deze gebeurtenis heeft het gezelschap gemeend zijn jaarvergadering deze keer hier in Dordrecht te houden. Alvorens tot die vergadering over te gaan, dankt Arjan Honkoop, de organisator van deze dag, de heer Chris de Bruyn voor zijn aardige voordracht. Een en ander gaat, zoals gebruikelijk, gepaard met de overhandiging van enige Büchmania uitgaven.